Ecosystemen zijn essentieel voor al het leven op aarde, maar door klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en vervuiling zijn veel ecosystemen in Nederland ernstig verzwakt.
Schoon drinkwater, bestuiving van gewassen en alle andere diensten die deze ecosystemen aan ons leveren komen daarmee in gevaar.
Over ecosystemen
Een ecosysteem bestaat uit alle dier- en plantensoorten in een bepaald gebied in samenhang met hun leefomgeving. Dus de soorten in wisselwerking met bodem, water en lucht. Bekende natuurgebieden in Nederland zijn de Veluwe en de Waddenzee, met ieder een eigen ecosysteem. Specifieker kunnen ook onderdelen daarvan, zoals een beukenbos en een zandplaat, als aparte ecosystemen worden onderscheiden. Ook steden of landbouwgebieden zijn ecosystemen.
Ecosysteemherstel is het herstel van het functioneren van ecosystemen en de biodiversiteit in een gebied. Gezonde ecosystemen zijn belangrijk voor al het leven op aarde en leveren ecosysteemdiensten aan de mens.
Voorbeelden van ecosysteemdiensten zijn productie van hout, zuivering van oppervlaktewater, verkoeling in de stad door groen en kustbescherming door duinen. De afgelopen decennia zijn de ecosystemen van onze planeet flink uit balans gebracht, zeker in het drukbevolkte Nederland.
Verstoringen zoals uitbreiding van infrastructuur en verstedelijking, de uitstoot van broeikasgassen of overbevissing zorgen zowel voor afname van soorten als van de kwaliteit van ecosysteemdiensten. Met ecosysteemherstel kunnen we de natuurlijke balans in ecosystemen weer op peil brengen, met positieve effecten op de natuur, de mens en het klimaat.
In Nederland is er vanuit het natuurbeleid en in de praktijk van het natuurbeheer veel aandacht voor het behoud en herstel van ecosystemen. Dit is ook hard nodig vanwege de grote invloed van menselijke activiteiten op de natuur, zoals verdroging, vermesting, verzuring, verzilting, ontbossing, milieuvervuiling en habitatverlies door stedenbouw en infrastructuur.
Echter, het overgrote deel (89%) van de Europees beschermde habitattypen in Nederland binnen Natura 2000-gebieden is in een matige tot slechte staat van instandhouding.
Er is dus nog veel werk aan de winkel om de gezondheid van de Nederlandse ecosystemen te verbeteren en de trend van verslechtering om te buigen naar duurzaam herstel.
Hoe kun je ecosysteemherstel meten?
Het meten van de ontwikkeling van ecosysteemherstel kan aan de hand van twee factoren: de kwaliteit en de kwantiteit van gebiedsoppervlakte.
De oppervlakte van een gebied speelt een belangrijke rol voor het functioneren van het ecosysteem. Hoe groter het gebied, hoe meer plant- en diersoorten gehuisvest kunnen worden en hoe beter hun leefgebied zich kan ontwikkelen. In Nederland is 20% van het landoppervlak beschermd natuurgebied (in 2022). Van land- en binnenwateren is 26% beschermd natuurgebied en van kust- en mariene wateren 31%. In de Europese Unie wordt gestreefd naar een aandeel van 30% beschermde natuur zowel op het land als op het water (zie Doel 6: Beschermde gebieden).
Niet alleen de grootte van het gebied is bepalend voor de kwaliteit van het ecosysteem. Een goede kwaliteit van het leefmilieu, zoals een gezonde bodem, goede waterkwaliteit, en de juiste inrichting en beheer van het gebied is essentieel. Als deze factoren op orde zijn, kunnen ecosystemen effectief herstellen. Dit herstel is af te meten aan de ontwikkeling van beschermde habitattypen enerzijds en aan de populatietrends van kenmerkende soorten anderzijds.
De kwaliteit van ecosysteemtypen wordt behandeld aan de hand van twee begrippen: habitattypen en natuurtypen. Het verschil tussen de twee typeringen is de mate van specificiteit. Habitattypen zijn de Europees beschreven en beschermde ecosystemen. Voorbeelden zijn natte heide en zwakgebufferde vennen. Natuurtypen zijn minder specifiek omschreven begroeiingen en landschappen, zoals bos, heide en moeras. Om een beeld te krijgen van de natuur buiten formeel beschermde ecosystemen moeten we daarnaast ook kijken naar de aanwezigheid en trends van algemene soorten in agrarisch en bebouwd gebied.
Dit laten we zien in de volgende indicatoren
Indicator 2a: Staat van Instandhouding (SvI) van habitattypen
Indicator 2b: Fauna van belangrijke natuurtypen
Indicator 2c: Basiskwaliteit natuur in bebouwd en agrarisch gebied
Indicator 2a: Staat van Instandhouding (SvI) van habitattypen
Het doel vanuit het Biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity, CBD) is om 30% van de habitattypen met een matige tot zeer ongunstige Staat van Instandhouding (SvI) voor 2030 te herstellen en daarbij de overige habitats met een gunstige SvI niet te laten verslechteren. Uiteindelijk moeten alle habitattypen hersteld zijn in 2050. Nederland telt 52 habitattypen.
De 52 soorten habitattypen die Nederland rijk is staan genoemd in Bijlage 1 van het Habitatrichtlijnrapport 2019.
De SvI bij habitattypen wordt vastgesteld aan de hand van de verspreiding, oppervlakte, structuur en functie, en toekomstperspectief middels een stoplichtenmodel van gunstig (groen) naar ongunstig (rood). Als een van de vier criteria op rood staat dan is de eindbeoordeling ook rood.
Doelstelling voor 2030
De Europese Commissie (EC) heeft in 2020 een biodiversiteitsstrategie aangenomen. Deze strategie heeft tot doel dat in 2030 30% van de beschermde habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn een goede staat van instandhouding heeft of op zijn minst een positieve trend laat zien. Omdat slechts eens in de zes jaar een gehele beoordeling wordt uitgevoerd, is het doel voor 2030 geformuleerd als een 30% verbetering ten opzichte van de periode 2013-2018.
De doelstellingen zijn verder aangescherpt in de Europese Natuurherstelverordening (NHV). Zo stelt de NHV kwantitatieve en tijdgebonden doelen voor het nemen van herstelmaatregelen.Uiterlijk in 2030 moet voor 30% van de habitattypen die niet in een goede staat verkeren herstel in gang zijn gezet. Ook moet waar nodig het areaal van deze habitattypen worden uitgebreid. Voor 2040 en 2050 lopen deze doelstellingen respectievelijk op naar 60% en 90% van het oppervlak. Naast het tegengaan van verslechtering is het verplicht om in gebieden waar herstelmaatregelen worden getroffen, het gerealiseerde herstel niet te laten verslechteren en de verbetering voort te zetten.
Uit de grafiek kunnen we opmaken dat het slecht gesteld is met de kwaliteit van de verschillende habitattypen. Er zijn maar 6 habitattypen van de 52 (12%) die in een gunstige staat van instandhouding (SvI) verkeren.
In 2025 is over 52 habitattypen gerapporteerd voor de rapportageperiode 2019-2024. Het ging daarbij om dezelfde habitattypen als waarover in 2019 voor de vorige rapportageperiode (2013-2018) is gerapporteerd. Voor de huidige rapportageperiode is voor zes habitattypen een gunstige staat van instandhouding (SvI) gerapporteerd (11,5%), voor 15 een matig ongunstige (28,9%) en voor 31 een zeer ongunstige (59,6%). De meeste habitattypen (88%) verkeren dus in een matig of zeer ongunstige SvI. Vergeleken met de vorige rapportageperiode heeft één habitattype (Galigaanmoerassen – H7210) een betere SvI en hebben vier habitattypen (Slik- en zandplaten – H1140, Witte duinen – H2120, Grijze duinen – H2130 en Kranswierwateren – H3140) een slechtere SvI. Per saldo is de SvI van de in Nederland voorkomende habitattypen dus achteruitgegaan.
Om het doel van 2030 te bereiken, zullen minimaal vijf habitattypen van matig ongunstig (oranje) naar gunstig (groen) moeten verbeteren en elf habitattypen van zeer ongunstig (rood) naar matig ongunstig (oranje). Bovendien mag in geen enkel habitattype verslechtering optreden.
Er is veel werk te verrichten en er is veel tijd nodig om de ongunstige staat van habitattypen te verbeteren. De verwachting is dat bij voortgang van de huidige negatieve trend het doel in 2030 alleen verder uit zicht zal raken. Het stoplicht staat dus op rood.
Indien het provinciale natuurbeleid, het Kaderrichtlijn Water-beleid en de stikstofbronmaatregelen volledig worden gerealiseerd, dan wijzen modelberekeningen van doelbereik Vogel- en Habitatrichtlijn in 2027 uit dat flinke stappen voorwaarts wel degelijk haalbaar zijn.
Indicator 2b: Fauna van belangrijke natuurtypen
De methode voor het bepalen van fauna van belangrijke natuurtypen volgt die van de Living Planet Index (LPI), een indicator van de biodiversiteit gemeten over de hele wereld.
Lees meer over de status van wereldwijde biodiversiteit in het Living Planet Report van het WWF.
Voor elk natuurtype zijn kenmerkende diersoorten geselecteerd. Gegevens over populatieontwikkeling (meestal op basis van aantallen, maar voor sommige soorten op basis van verspreiding) zijn ontleend aan de landelijke meetnetten in het Netwerk Ecologische Monitoring.
De ontwikkeling in de tijd wordt voor elke soort geïndexeerd ten opzichte van een waarde 100 voor het startjaar 1990, zodat verschillen in de tijd zichtbaar geduid kunnen worden als een percentage ten opzichte van het beginjaar. Om de indicator voor een natuurtype te berekenen worden de jaarlijkse indexcijfers meetkundig gemiddeld over alle kenmerkende soorten voor dat type.
De doelstelling voor 2030
De kwaliteit van de individuele ecosystemen mag niet verslechteren ten opzichte van 2010, het startjaar van de recente trendperiode van twaalf jaar tot en met 2022, het jaar waarin de doelstelling is opgesteld.
Populaties van kenmerkende dieren voor zoetwater en moeras laten sinds 1990 een matige toename zien: 92 soorten zijn vooruitgegaan en 66 soorten achteruit. Het betreft 173 soorten vissen, broedvogels, amfibieën, libellen, zoogdieren en vlinders. In de laatste twaalf jaar laat de trend een matige toename zien. In de meest recente update van het CLO zijn er 37 soorten bijgekomen, waaronder veel nieuwkomers. Deze soorten – zoals zeearend, grote zilverreiger, Cetti’s zanger en steltkluut – laten in het algemeen een exponentiële groei zien en beïnvloeden de trend daardoor positief. In vergelijking met de trend op het land is de trend in het zoete water de afgelopen decennia aanzienlijk positiever.
Kenmerkende dieren van bossen nemen sinds het begin van de 21e eeuw gemiddeld toe. Dat komt vooral door de toename bij broedvogels en zoogdieren. Bosvlinders laten een meer gemengd beeld zien. Van de soorten die opgenomen zijn in deze indicator zijn er sinds 1990 20 vooruitgegaan en 12 achteruit; 5 soorten bleven stabiel.
Zoogdieren, broedvogels, reptielen en vlinders van open natuurgebieden (heide, hoogveen, duin en extensief grasland) zijn sinds 1990 met 55% achteruitgegaan. In de laatste twaalf jaar is de trend nog steeds dalend. Over de hele meetperiode zijn 39 soorten achteruitgegaan, 15 vooruit en 10 soorten hielden een stabiele trend.
De index in de laatste twaalf jaar is voor zoetwater en moeras toegenomen van 168 (2012) naar 189 (2023); voor bos is een verbetering te zien van 84 (2012) naar 90 (2023); voor heide, duin en extensief grasland is een verdergaande verslechtering te zien van 62 (2012) naar 45 (2023). Het stoplicht staat daarom (overall) op oranje; een extra inspanning is vooral nodig voor heide, hoogveen, duin en extensief grasland.
Indicator 2c: Basiskwaliteit Natuur
Basiskwaliteit Natuur (BKN) laat zien hoe het met de natuur gesteld is in agrarisch en bebouwd gebied buiten de beschermde natuurgebieden. De beoordeling is gebaseerd op de aanwezigheid van algemene soorten broedvogels, dagvlinders en vaatplanten. Deze zogeheten BKN-soorten geven inzicht in de kwaliteit van de inrichting van het landschap, de milieuomstandigheden en het beheer. Zie voor meer informatie over BKN het Kennisdocument Basiskwaliteit Natuur.
De doelstelling voor 2030
Voor Basiskwaliteit Natuur geldt geen formeel nationaal doeljaar, maar de ambitie wordt vaak geplaatst in de context van de ontwikkeling naar een natuurinclusief Nederland in 2050. Daarnaast draagt basiskwaliteit natuur bij aan de doelen van de Europese Natuurherstelverordening, die naast hersteldoelen voor 2030, 2040 en 2050 ook een verslechteringsverbod voor herstelde natuur bevat.
In de periode 2018-2023 was het aantal BKN-soorten hoog in 9 procent van het agrarisch gebied en 10 procent van het bebouwd gebied. Van een hoge score is sprake wanneer ten minste 80 procent van het maximaal haalbare aantal BKN-soorten voor een landschap aanwezig is. In deze gebieden wordt aangenomen dat de Basiskwaliteit Natuur is bereikt. In de overige 90 procent van het agrarisch en bebouwd gebied ligt de natuurkwaliteit lager tot veel lager.
De populaties van BKN-soorten staan zowel in bebouwd als in agrarisch gebied onder druk. In bebouwd gebied neemt het aantal afnemende soorten (25) sterker toe dan het aantal toenemende soorten (15); 10 soorten zijn stabiel. In agrarisch gebied nemen 40 BKN-soorten af, terwijl 33 soorten toenemen en 11 soorten stabiel blijven. Dat meer BKN-soorten, met name broedvogels en dagvlinders, in de afgelopen decennia zijn afgenomen dan toegenomen, wijst erop dat de opgave om de Basiskwaliteit Natuur te realiseren groter is geworden.
BKN vormt daarmee een waardevolle aanvulling op bestaande natuurdoelen, zoals die uit de Vogel- en Habitatrichtlijn, die zich vooral richten op de bescherming van bedreigde soorten en kwetsbare habitats. Maatregelen die bijdragen aan het behalen van de Basiskwaliteit Natuur ondersteunen bovendien de doelen van de Europese Natuurherstelverordening voor agrarische en stedelijke gebieden. Deze verordening stelt onder meer eisen aan de ontwikkeling van boerenlandvogels, graslandvlinders en de hoeveelheid en diversiteit van landschapselementen.
Er is nog geen tijdstrend beschikbaar maar gezien het kleine areaal bebouwd en agrarisch gebied dat op dit moment voldoet aan basiskwaliteit natuur, staat het stoplicht voor deze indicator op rood. De opgave om BKN te bereiken is groot, maar met de nieuwe inzet van de Rijksoverheid op BKN en de doelen van de Natuurherstelverordening is er nu wel specifieke aandacht voor dit onderwerp.
Maatregelen
Wat kunnen overheden, natuurorganisaties en bedrijven doen om ecosysteemherstel te bevorderen?
Overheden
Zowel de provincies als het Rijk en waterschappen werken aan de opgaven voor ecosysteemherstel, waarbij herstel van de Europees beschermde Natura 2000-gebieden een hoge prioriteit heeft. Het milieu- en waterbeleid (Europese Kaderrichtlijn Water en Nitraatrichtlijn) dragen bij aan het natuurherstel via het verbeteren van condities, zowel binnen als buiten de beschermde natuurgebieden. In het natuurbeleid ligt de focus op de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland, dat bestaat uit bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk verbindt natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarische gebied. Steeds duidelijker wordt dat er voor ecosysteemherstel ook maatregelen in de aangrenzende gebieden buiten de beschermde natuur nodig zijn. De provincies zijn verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk op land, het Rijk voor de grotere wateren (grote rivieren, Deltawateren, IJsselmeergebied en Waddenzee) en de waterschappen werken aan maatregelen om ecologische sleutelfactoren te verbeteren van stilstaande en stromende wateren. De EU Natuurherstelverordening (2024/1991) is op 18 augustus 2024 in werking getreden. Deze nieuwe verordening bevat verplichtingen voor de lidstaten voor het nemen van doeltreffende en gebiedsgerichte herstelmaatregelen voor aangetaste ecosystemen.
Natuurorganisaties
Voor de uitvoering van herstel van ecosystemen staan vooral de terreinbeherende natuurorganisaties aan de lat. Dit doen zij met middelen vanuit de overheid en via fondsen en donaties. De Natuurherstelverordening is daarbij een steun in de rug. Voor een effectief herstel is ook veel kennis nodig. In het Kennisnetwerk OBN werken beheerders, beleidsmakers en onderzoekers samen om de vragen uit de praktijk op te lossen. Behalve kennis over soorten is ook de landschapsecologische systeemkennis belangrijk om inzicht te krijgen in welke maatregelen waar nodig zijn en wat het meest urgent is. Een goede monitoring is essentieel om te leren over wat het beste werkt.
Bedrijven
Niet alles draait om de uitvoering van natuurbeleid. Ook vanuit bedrijven is een natuurinclusieve werkwijze bij allerlei initiatieven – vanuit waterveiligheid, recreatie, woningbouw, klimaatbestendigheid, landbouw, industrie en transport – belangrijk voor natuurherstel, juist ook buiten de beschermde natuurgebieden. Het meest kansrijk zijn gebieden waar verbetering van ecologische condities en een natuurinclusieve manier van werken integraal worden aangepakt in gebiedsprocessen met alle betrokken partijen.
Burgers
In je eentje is het lastig hele ecosystemen te herstellen. Gelukkig zijn er in Nederland een heleboel organisaties die werken aan ecosysteemherstel, en die jouw hulp kunnen gebruiken. Voorbeelden hiervan zijn Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, LandschappenNL en IVN Natuureducatie. Deze organisaties hebben door het hele land lokale werkgroepen waar je je bij aan kunt sluiten om te helpen en zelf te leren.
In de ‘Toolbox voor Biodiversiteit’ zijn tools en praktijkvoorbeelden opgenomen voor iedereen die aan de slag wil met biodiversiteitsherstel. De toolbox heeft als doel de verschillende kennis, tools en praktijkvoorbeelden rondom biodiversiteitsherstel samen te brengen en vindbaar te maken. Ga zelf aan de slag met praktische tips en tools in de toolbox!
Ook kan de biodiversiteit een handje geholpen worden door in jouw tuin, balkon of erf ecologisch te tuinieren. Je kunt bijvoorbeeld inheemse of streekgebonden planten en bloemen planten en hagen en heggen en andere kleine landschapselementen aanleggen, zodat de lokale biodiversiteit wordt versterkt. Of koppel je regenpijp los zodat water in je tuin belandt in plaats van in het riool, en vervang de tegels in je tuin voor groen. Gebruik geen chemische bestrijdingsmiddelen – die schaden de natuur. En kies bij tuincentra voor biologische bloembollen, planten en tuinaarde zonder turf. Praat met je gemeente over vergroening van je wijk – de Omgevingswet en gemeentelijke Omgevingsvisie bieden hiervoor kansen.
Samenwerken met anderen kan tot grote, impactvolle resultaten leiden. Je kunt een bijenlandschap starten of je bij een bestaand landschap aansluiten.